Egypte

‘Nu we hier zitten te eten kun je ook leren converseren’, zeg ik tegen zoon (9).
‘Wat is dat?’
‘Dat je mij een vraag stelt zoals ik bij jou deed. En dat we dan wat praten.’

Hij denkt even na.
Dan zegt hij: ‘Hoe is het trouwens in het oude Egypte?’

Inmiddels is hij weer buiten spelen.

Pluim en wederpluim

Zoon (9) vertelt over iets in de toekomst, als hij vader is.
‘Weet je dan al dat je graag kinderen wilt?’, vraag ik.

‘Ja’, zegt hij. ‘Want ik merk aan jou dat het heel leuk is.’

Dit noemen wij thuis een boemerang- compliment. Want met welk kind ben ik zo in mijn sas?

In de sportschool (deel 451)

‘En hoe is het met jou, broeder krijger?’, zeg ik tegen Erdal.
‘Ik kan doden en het leven beschermen’, zegt hij ernstig. Hij vouwt zijn handen over zijn borst en onder zijn spierballen.
‘Dat is nogal een abstract antwoord’, zeg ik. Hij schiet in de lach.

Dan zegt hij: ‘Als je een samoerai zijn pantser uittrekt, is het maar een mager mannetje. En toch is hij nog net zo sterk.’
Ik kijk hem aan en wacht.
‘Maar zelfs al heb ik mijn pantser aan, dan nog kan zij er met haar vinger doorheen. Omdat ik kwetsbaar voor haar ben.’ Hij wijst in de richting van zijn vrouw.
‘Dat vind ik een grote kunst’, zeg ik. ‘Hoe ben ik aanraakbaar maar niet weerloos?’
Hij knikt.

Drie keer mis

Wat eten we vanavond?
‘Patat’, zegt zoon (11). ‘Pizza heb ik gisteren al op.’
‘Je krijgt elke dag patat van me schat’, zeg ik met verdraaide stem. ‘Want ik wil dat je gelukkig bent.’
Hij reageert niet. Hier had ik al het los kunnen laten. Op dit pedagogische gesprek rustte wellicht geen zegen.

‘Ik geef je elke dag patat’, zeg ik nogmaals, met een iets minder rare stem. ‘Als je maar gelukkig bent.’
Hij kijkt verstrooid op van zijn poppetjes. ‘O leuk’, zegt hij.
Ook deze kans om de kwestie te laten rusten, laat ik lopen.

‘Wat gaat er niet goed?’, zeg ik.
Hij kijkt vragend.
‘Als een vader zijn kind elke dag friet geeft’, vraag ik met de moed der wanhoop, ‘wat gebeurt er dan?’

Hij knikt welwillend. ‘Dan wordt-ie een Stampertje‘, begrijpt hij.

Verveling

Het is zondag en het regent de hele dag. Na het kinderfeestje van een van zijn vele vriendjes, daags ervoor, en het spelen met zijn beste vriendin, vallen we stil op de bank.

‘Als ik 90 word’, zegt hij opeens, ‘dan moet ik dit dus nog 79 jaar volhouden’. Hij zucht.
Ik kijk hem schattend aan. Is het een nieuw stukje theater? Of een plotselinge vlaag van depressie?

Ik steek toch wat lager in.

‘Verveel je je?’, vraag ik. Hij knikt.
‘Fijn’, zeg ik.
Hij kijkt op, vragend.

‘Als je altijd maar dingen doet, daar buiten, dan let je nooit op hoe het binnen in jou is’, zeg ik. ‘En dat kan juist heel goed als je je verveelt.’

‘Daarom wil jij ook soms naar de kerk hè?’, zegt hij begrijpend.

Dubbel gepakt

Met zoon Ruben (23) zit ik te praten over van alles en nog wat. Opeens vertel ik dat ik me soms bij oude mensen met wie ik werk voorstel dat ik op een dag bij hun dode lichaam zal staan. ‘Bij sommigen krijg ik meteen een glimlach, bij anderen een treurig gevoel’, zeg ik. ‘De glimlach komt altijd als het gaat om iemand die nu leeft met aandacht en vreugde. Volgens mij heeft dit iets met de hemel te maken.’

Mijn oudste zoon zegt: ‘En als je aan je eigen dood denkt, komt er dan ook een glimlach?’
Ik vind het een mooie en indringende vraag, en voel trots op het inzicht waaruit het voortkomt. ‘Ja’, zeg ik met een glimlach. ‘Ja.’

Dit verhaal vertel ik een paar dagen later aan geliefde en onze zoon Marcus (11). Hij kijkt me aan en merkt op: ‘Dus Ruben gaf een antwoord in de vorm van een vraag’.

Hare Majesteit de Werkelijkheid

Op de dag van mijn verjaardagsfeest ging ik de vroege ochtend zegenen door te zwemmen in de Waard.
Het water was opeens weer koud, ik voelde mijn huid als een schild worden, mijn ballen krimpen en ik vroeg me af of ik de overkant wel zou halen. Wat er zou gebeuren als, hoe het zou zijn om… ja, man op de drempel van vijftig; houd er maar rekening mee.

Rechts van mij klonk gespetter en geklapwiek. Twee enorme zwanen verhieven zich en vlogen vlak voor me langs, met fluitende vleugels, midden op het water.

Verbaasd keek ik op en om, en zag dat achter me een enkeling de andere kant op vloog.

Als dit een droom was, dacht ik, dan had ik de beeldtaal aanvaard met dankbaarheid.
Maar dit was slechts de werkelijkheid.

En er kwam een lach.